Hoewel de thermometer in alle gevallen 29 graden aangeeft, voelt de hitte tijdens het hardlopen in Da Nang anders dan gedurende acroyoga in Chiang Mai — en weer anders dan als je een biertje op een Amsterdams terras drinkt.

Het KNMI maakte onlangs bekend dat ze vanaf zomer 2026 een nieuwe index in hun app opnemen: hittekracht. Een schaal van 0 tot 10, vergelijkbaar met zonkracht en windkracht, die temperatuur, luchtvochtigheid, zonnestraling en wind combineert. De gedachte erachter is simpel: 30 graden droog met een briesje voelt heel anders dan 25 graden windstil en klam. Toch beoordeelt bijna iedereen hitte nog steeds op temperatuur alleen.

De hittekracht is gebaseerd op de Wet Bulb Globe Temperature (WBGT) — een index die het leger, de bouw en sportevenementen al decennialang gebruiken. Ik dacht: die data staat gewoon in de KNMI-uurbestanden. Dus ik bouwde de berekening zelf.

Bekjk het zelf online op https://wbgt-rcsmit.streamlit.app (“wake up” indien nodig).

Tevens heb ik een snelle calculator gemaakt op https://rcsmit.github.io/hittekracht


Wat zit er achter WBGT?

De WBGT wordt samengesteld vanuit waarden van drie thermometers, elk met een ander verhaal:


Tnw — de natte bol temperatuur. Een thermometer met een nat kousje, blootgesteld aan de wind. Die meet hoe goed je lichaam kan afkoelen via zweet. Bij hoge luchtvochtigheid verdampt zweet slecht, en Tnw kruipt richting de luchttemperatuur. Bij droge hitte daalt hij ver eronder Wordt bepaald door temperatuur, luchtvochtigheid én wind. . Dit is met 70% verreweg de zwaarste term — terecht, want zweten is de belangrijkste manier waarop een mens hitte kwijtraakt.

Tg — de globe-temperatuur. Een zwarte bol die stralingswarmte van zon en omgeving opvangt. In volle zon, windstil, loopt Tg makkelijk 8–12 graden boven de luchttemperatuur uit. Reageert op directe en diffuse zonnestraling, windsnelheid en luchttemperatuur.

Td — gewoon de luchttemperatuur. Goed voor 10%.

Deze drie waarden vormen samen de WBGT

WBGT = 0,7 × Tnw + 0,2 × Tg + 0,1 × Td

Het resultaat: bij droge hitte is WBGT lager dan de thermometer aangeeft, want zweet werkt goed. Bij vochtige hitte nadert WBGT de luchttemperatuur — of overschrijdt die zelfs. Dat is precies de informatie die een weerapp je niet geeft.

Om niet afhankelijk te zijn van een specifiek meetapparaat zijn er formules ontwikkeld om de WBGT te berekenen vanuit de temperatuur, luchtvochtigheid, windsnelheid en globale straling. Vier waardes die het KNMI uurlijks meet, vastlegt en beschkbaar stelt. Dit heb ik omgebouwd tot een app.


Hoe de tool werkt

De code haalt uurgegevens op van het KNMI-station naar keuze: temperatuur, luchtvochtigheid, windsnelheid en globale straling. Per uur berekent hij de WBGT. Daarna neem ik per dag de maximale waarde tussen 12:00 en 17:00 — het venster waarop de meeste buitenactiviteiten plaatsvinden en de hitte het zwaarst is.

Vier methoden worden naast elkaar berekend:

MethodeFormuleWanneer zinvol
Liljegren / ISO 72430,7·Tnw + 0,2·Tg + 0,1·TdBuiten in de zon
ISO 7243 schaduw0,7·Tnw + 0,3·TgIn de schaduw of binnen
Bernard 1999DampdrukformuleSnelle check zonder stralingsdata
Feels-likeHeat Index boven 27°C, Wind Chill onder 10°CGevoelstemperatuur voor algemeen publiek

De eerste drie zijn WBGT-varianten. De feels-like is een aparte index: bij warmte gebruikt hij de Heat Index (temperatuur + luchtvochtigheid), bij kou de Wind Chill (temperatuur + wind). Geen fysiologische belastingsmaat, maar subjectief thermisch comfort — handig als referentie naast de WBGT-lijnen.

De globe-temperatuur en natte bol temperatuur bereken ik via Liljegren et al. (2008), met de gemeten zonnestraling in W/m², temperatuur, luchtvochtigheid en windsnelheid als invoer. De formules staan als bijlage aan het einde van dit artikel.

In eerste instantie heb ik formules gebruikt die praktische en veelgebruikte benaderingen van de onderliggende fysica, (bijlage A). Deze zijn bedoeld voor toepasbare berekeningen op basis van weerdata, niet als volledige numerieke simulatie van alle warmteprocessen rond mens of meetinstrument. . Later heb ik de uitgebreide versie geimplementeerd (bijlage B)


Wat valt op in de data?

Er zijn een paar dingen die me opvielen bij het doorlopen van de data voor De Bilt, begin 2026 en die je kunt zien als je een scatterplot maakt.

WBGT blijft in Nederland bijna altijd onder de luchttemperatuur. Pas boven de 25 graden met hoge luchtvochtigheid komen de lijnen bij elkaar. Dat is een fundamenteel ander profiel dan de tropen, waar WBGT regelmatig boven de 32 graden uitkomt — de drempel waarbij inspanning gevaarlijk wordt.

Bernard geeft stelselmatig hogere waarden dan Liljegren. Logisch: Bernard gebruikt geen windsnelheid of zonnestraling, alleen temperatuur en luchtvochtigheid. Dat geeft een conservatievere schatting — handig als worst-case, maar niet nauwkeurig genoeg als je echt wilt weten wat de zon doet.

De feels-like temperatuur duikt bij kou flink onder nul. Dat klopt — wind chill werkt nu eenmaal zo. Maar WBGT is niet ontworpen voor koude omstandigheden. Onder pakweg 15 graden verliest de index zijn betekenis als hittestress-maat.


De risicozones

De vijf zones zijn een vereenvoudigde richtlijn voor algemeen gebruik.

ZoneWBGTAdvies
Laag< 18 °CGeen beperkingen
Matig18–23 °CLet op bij zware inspanning
Hoog23–28 °CRegelmatige rustpauzes
Zeer hoog28–32 °CAlleen lichte activiteit
Gevaarlijk> 32 °CVermijd inspanning buitenshuis

De officiële ISO 7243-norm werkt niet met vaste kleurzones maar koppelt de grenswaarden aan het inspanningsniveau. Bij zwaar werk ligt de veilige grens al bij 25 graden, bij rust pas bij 33 graden. De vijf zones hierboven zijn een vereenvoudiging die veel gebruikt wordt in sport en publieke communicatie.

In De Bilt bereikten we in de zomer van 2025 regelmatig de zone “Matig”, met uitschieters naar “Hoog”. Dat klinkt mild — totdat je bedenkt dat een hardloper, een dakdekker of een festivalbezoeker in diezelfde omstandigheden al significant meer belast wordt dan iemand in rust. Het KNMI noemt dat ook: hulpdiensten in zware kleding, buitensporters, ouderen. Voor die groepen is het handig om een index te hebben die eenvoudig hittestress weergeeft.


De Hitte Kracht

Ondertussen heb ik het rapport gevonden waar de hitte kracht wordt uitgewerkt. Omdat de WBGT in graden Celsius wordt uitgedrukt, maar vaak lager is dan de luchttemperatuur, kan deze voor gebruikers verwarrend en minder intuïtief zijn. Daarom is er een nieuwe index ontwikkeld die Hittekracht wordt genoemd

Hieronder wordt de vertaalslag van WBGT naar de hittekracht weergegeven

HK WBGT-range (°C) – indeling
0 <14 – laag
1 14-16 – laag
2 16–18 – laag
3 18–20 – matig
4 20–22 – matig
5 22–24 – matig (<23)/hoog
6 24–26 – Hoog
7 26–28 – Hoog
8 28–30 – Zeer hoog
9 30–32 – Zeer hoog
10 ≥ 32 – Gevaarlijk

 

Referentie tabel

We willen zo makkelijk mogelijk de hittekracht weten. Hiertoe kan je een referentie tabel gebruiken met de temperaturen als kolommen en de relatieve luchtvochtigheid als rijen. In eerste instantie had ik een referentie tabel gemaakt met een windstille dag en de hoogst gemeten globale straling in 2026.

Om meer realistische waarden te verkrijgen heb ik de de KNMI-uurdata van 1991 tot en met juli 2025 gebruikt als basis. Voor elke combinatie van temperatuur en luchtvochtigheid (waardes die in de meeste weerapps te zien zijn) zijn alle gemeten uren opgezocht en is de gemiddelde WBGT-buiten berekend. Voor de temperatuur is de binwijdte +/- 1 graad. Voor de luchtvochtigheid is de binwijdte +/- 2,5%.

Het resultaat is een tabel die laat zien wat je in Nederland bij een bepaalde temperatuur en luchtvochtigheid gemiddeld kunt verwachten — zonder dat je wind of straling hoeft in te voeren. De standaarddeviatie ligt doorgaans rond de 1,0 à 1,4 graden. Ook is het verschil tussen gemiddelde en mediaan bekeken. (niet weergegeven hieronder). Deze is klein (enkele tienden van een graad). In een enkel geval is de hittekracht een klasse hoger dan als je uit zou gaan van het gemiddelde.

Nader onderzoek kan eventueel uitwijzen of er een regelmaat in de spreiding van de WBGT’s en de Hitte Kracht-en zit door deze voor alle combinaties te analyseren zoals hieronder is gedaan voor de temperatuur van 22 graden en een relative vochtigheid van 50%.

Oftewel : Niet hoe warm het is, maar hoe je de temperatuur ervaart

Uiteindelijk gaat het om een simpel idee: de thermometer vertelt je hoe warm de lucht is. Niet hoe de temperatuur ervaart. Dat verschil is klein op een frisse dag met een briesje, maar kan groot worden op een klamme middag zonder wind in volle zon.

Het KNMI maakt dat verschil vanaf zomer 2026 zichtbaar voor het grote publiek met hittekracht. Tot die tijd kun je het al zelf berekenen of opzoeken — en beslissen of en waar je gaat hardlopen, plezier hebt met acroyoga, of toch gewoon kiest voor dat biertje op het terras.

Zelf gebruiken

De tool staat op https://wbgt-rcsmit.streamlit.app (‘wake up’ indien nodig) en heeft verschillende tabbladen

  • Main
    • Een grafiek met de wbgt over een periode aangeven in het zijmenu.
    • Een uurdiagram over een bepaalde dag (als je “alleen maximale waardes” in het zijmenu uitzet)
    • Relatieve verdeling van de Hittekracht per maand
    • Tabellen met aantallen per hittekracht niveaus
    • Scatterplots waarmee je de verschillende waardes kan vergelijken
  • Tabel
    • een referentie tabel bij ee ngegeven windsnelheid en straling
  • Calculator
    • een calculator waarmee je de wbgt en HK kan berekenen. Ook beschikbaar als webpagina (laadt sneller en hoeft niet steeds gewekt te worden)
  • Solarinfo
    • Een grafiek met berekende zonnestraling en zonnelevatie voor een bepaalde locatie (zie zijmenu bovenaan)
  • 1991-2025
    • Referentietabel gebaseerd op de waardes tussen 1991 en 2025. In tegenstelling tot de eerdere tabel zijn dit de historische waardes. Tevens standaarddeviatie en frequentie van de temperatuur-vochtigheid-combinaties
    • Verdeling van de waardes tussen 1991 en 2025 zoals in het KNMI rapport
    • Verschillende histogrammen
    • Histogrammen voor een gegeven temperatuur-RH-combinatie van straling en wind
    • Histogrammen voor een gegeven temperatuur-RH-combinatie van WBGT en HK.
    • Boxplot van de dagelijke maximale WBGT per maand
    • Uurlijke WBGT en hittekracht voor 25 juli 2019, een zeer hete dag

Code: https://github.com/rcsmit/streamlit_scripts/blob/main/show_knmi_functions/wbgt_knmi.py
(Maakt ook gebruik van verschillende andere bestanden in dezelfde directory)


Bronnen en meer informatie

Bernard, T. E., & Pourmoghani, M. (1999). Prediction of workplace wet bulb global temperature. Applied Occupational and Environmental Hygiene, 14(2), 126–134. https://doi.org/10.1080/104732299303296

Ioannou, L. G.,et al. (2022). Occupational heat strain in outdoor workers: A comprehensive review and meta-analysis. Temperature (Austin, Tex.)9(1), 67–102. https://doi.org/10.1080/23328940.2022.2030634

Kingma B. (TNO) (2024) Hittekracht en hittefit (presentatie) [link]

KNMI. (z.d.). Hittekracht. Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut. https://www.knmi.nl/kennis-en-datacentrum/uitleg/hittekracht

Liljegren, J. C., Carhart, R. A., Lawday, P., Tschopp, S., & Sharp, R. (2008). Modeling the wet bulb globe temperature using standard meteorological measurements. Journal of Occupational and Environmental Hygiene, 5(10), 645–655. https://doi.org/10.1080/15459620802310770

Parsons, K. (2006). Heat stress standard ISO 7243 and its global application. Industrial Health, 44(4), 368–379. [link]

Pereira Marghidan, C., Mokkenstorm, L., (2026) Hittewaarschuwingen: Doorontwikkeling Nationaal Hitteplan RIVM en verdere integratie met waarschuwingssystematiek, KNMI De Bilt,| Wetenschappelijk rapport; WR-26-02 [link]

Rothfusz, L. P. (1990). The heat index equation (or, more than you ever wanted to know about heat index) (NWS Technical Attachment SR/SSD 90-23). National Weather Service Southern Region Headquarters. [link]

Stull, R. (2011). Wet-bulb temperature from relative humidity and air temperature. Journal of Applied Meteorology and Climatology, 50(11), 2267–2269 https://doi.org/10.1175/JAMC-D-11-0143.1

TNO (2024). Hittekracht en hittefit: zo kan Nederland de toenemende hitte aan [link]

Yi-Chun Lin et al. (2025), Investigating wet-bulb globe temperature on heat-related illness in general population for alerting heat exposure: A time-stratified case-crossover study, Urban Climate, 59 https://doi.org/10.1016/j.uclim.2025.102322.

OSHA Outdoor WBGT Calculator


Bijlage A: De formules

Hier zijn de exacte formules zoals ze in de literatuur staan en in het script zijn gebruikt:

Stull (2011) — natte bol temperatuur

Journal of Applied Meteorology and Climatology, 50(11)

Tnw = T · atan(0.151977 · (RH + 8.313659)^0.5)
    + atan(T + RH)
    - atan(RH - 1.676331)
    + 0.00391838 · RH^1.5 · atan(0.023101 · RH)
    - 4.686035

Geldig voor: T = −20 tot 50°C, RH = 5–99%, gemiddelde fout ±0.65°C.


Bernard & Pourmoghani (1999) — vereenvoudigde WBGT

Applied Occupational and Environmental Hygiene, 14(9)

WBGT ≈ 0.567 · T + 0.393 · e + 3.94

waarbij dampdruk e (hPa) via Magnus:

e = (RH/100) · 6.1078 · exp(17.27 · T / (T + 237.3))

Geen wind of straling nodig — alleen T en RH.


Liljegren et al. (2008) — globe-temperatuur

Journal of Occupational and Environmental Hygiene, 5(10)

Zie bijlage B voor een verbeterde versie

De volledige Liljegren-formule gebruikt een numeriek model van warmtestraling en convectie voor een zwarte bol van 50mm. De vereenvoudigde versie die ik in eerste instantie heb gebruikt:

Tg = T + 17.5 · (Q / 1000)^0.6 / (1 + 1.1 · v^0.6)

waarbij:

  • Q = zonnestraling in W/m²
  • v = windsnelheid in m/s (minimaal 0.1)

Dit is een vereenvoudiging — de echte Liljegren lost numeriek de warmtebalans op met absorptiecoëfficiënten en convectietermen.


Heat Index — Rothfusz (1990)

NWS Technical Attachment SR/SSD 90-23

Geldig boven ~27°C (80°F), RH > 40%:

HI = -42.379
   + 2.04901523 · T
   + 10.14333127 · RH
   - 0.22475541 · T · RH
   - 0.00683783 · T²
   - 0.05481717 · RH²
   + 0.00122874 · T² · RH
   + 0.00085282 · T · RH²
   - 0.00000199 · T² · RH²

T en HI in °F. Daarna terug naar °C.

Twee correcties voor extreme waarden:

Als RH < 13% en 26.7°C < T < 44.4°C:
    HI = HI - ((13 - RH) / 4) · sqrt((17 - |T - 95|) / 17)
Als RH > 85% en 26.7°C < T < 30.6°C:
    HI = HI + ((RH - 85) / 10) · ((87 - T) / 5)

Wind Chill — JAG/TI (2001)

Joint Action Group for Temperature Indices, NWS/MSC

Geldig onder 10°C, wind > 4.8 km/u:

WC = 13.12 + 0.6215 · T - 11.37 · v^0.16 + 0.3965 · T · v^0.16

waarbij v = windsnelheid in km/u, T in °C.


Samenvatting geldigheidsgebieden:

FormuleGeldig bijLet op
Stull Tnw−20 tot 50°C, RH 5–99%Niet voor aspirated wet bulb
Bernard WBGTWarme omstandighedenGeen straling/wind
Liljegren TgBuitenshuis, zon aanwezigVereenvoudigd; echte versie iteratief
Heat IndexT > 27°C, RH > 40%In °F berekenen
Wind ChillT < 10°C, v > 4.8 km/uv in km/u

Bijlage B — De verbeterde methode: volledige Liljegren-solver

Na publicatie van dit artikel heb ik de berekening verder verbeterd. De originele versie (Bijlage A) gebruikt twee vereenvoudigde benaderingen. Deze bijlage beschrijft wat er mis is met die benaderingen, en hoe de verbeterde versie werkt.


Wat er schortte aan de eerste versie

De WBGT-formule 0,7 × Tnw + 0,2 × Tg + 0,1 × Td is simpel. Maar Tnw en Tg zijn zelf geen meetwaarden — die moeten berekend worden uit de beschikbare KNMI-data.

In de eerste versie deed ik dat met twee shortcuts:

Voor Tnw gebruikte ik de formule van Stull (2011): alleen temperatuur en luchtvochtigheid als invoer. Dat is een psychrometrische benadering — hij berekent hoe een natte thermometer afkoelt puur door verdamping, zonder rekening te houden met zon of wind. Bij een anemometer-thermometer in een afgeschermd kastje is dat prima. Bij een nat kousje dat buiten in de zon hangt, mist die formule precies wat het instrument meet.

Voor Tg gebruikte ik een empirische vuistregel:

Tg ≈ T + 17,5 × (Q/1000)^0,6 / (1 + 1,1 × v^0,6)

Die formule werkt redelijk voor daggemiddelden, maar weet niet welke kant de zon op staat.

Het effect: mijn WBGT lag structureel ~1–3°C te laag op zonnige middagen, en klopte alleen ‘s nachts — want dan is er geen zon en vallen beide methoden samen.


Wat Liljegren (2008) echt doet

Het paper beschrijft twee iteratieve energiebalans-modellen. Geen vuistregels, maar fysica.

De globe-temperatuur

Een zwarte bol van 50 mm in de buitenlucht neemt energie op uit drie bronnen en verliest energie via twee wegen:

Opname:

  • Thermische straling van atmosfeer en bodem
  • Diffuse zonnestraling (vanuit alle richtingen op de bovenste hemisfeer)
  • Directe zonnestraling (op de geprojecteerde doorsnede loodrecht op de zonnestraal)
  • Gereflecteerde straling van het oppervlak

Verlies:

  • Thermische uitstraling van de bol zelf
  • Convectief warmteverlies aan de lucht (afhankelijk van windsnelheid)

De energiebalans levert een impliciete vergelijking op in T_g, die iteratief wordt opgelost. De convectieve term volgt uit de Nusselt-correlatie voor een bol in dwarsstroming:

Nu = 2,0 + 0,6 × Re^(1/2) × Pr^(1/3)
h  = k / D × Nu

Hierin zijn:

  • Nu — Nusselt-getal (dimensieloos): verhouding tussen convectieve en conductieve warmteoverdracht. Hoe groter Nu, hoe effectiever de lucht warmte van de bol afvoert.
  • Re — Reynolds-getal (dimensieloos): Re = ρ × v × D / μ, waarbij ρ de luchtdichtheid (kg/m³) is, v de windsnelheid (m/s), D de boldiameter (0,0508 m) en μ de dynamische viscositeit van lucht (Pa·s). Re geeft aan of de stroming rond de bol laminair of turbulent is — meer wind geeft een hoger Re, een hogere Nu en daarmee een betere afkoeling.
  • Pr — Prandtl-getal (dimensieloos): Pr = c_p × μ / k, de verhouding tussen impuls- en warmtetransport in lucht. Voor lucht is Pr ≈ 0,71 en vrijwel constant over het relevante temperatuurbereik.
  • k — warmtegeleidingscoëfficiënt van lucht (W/(m·K))
  • D — diameter van de bol (m)
  • h — convectieve warmteoverdrachtcoëfficiënt (W/(m²·K)): hoeveel watt er per vierkante meter boloppervlak en per graad temperatuurverschil tussen bol en lucht wordt afgevoerd.

De keten is daarmee: wind (v) → Re → Nu → h → warmteafvoer van de bol. Hogere windsnelheid verlaagt T_g en daarmee de WBGT.


De natte-boltemperatuur

Hetzelfde principe, maar nu voor een natte cilinder (het kousje). Hier speelt ook verdamping mee. De energiebalans combineert:

  • Convectieve warmteoverdracht van lucht naar het kousje
  • Verdampingskoeling (massatransport van waterdamp)
  • Netto stralingswinst

De verhouding tussen convectieve warmte- en massaoverdracht volgt uit de Chilton-Colburn analogie, via de Prandtl- en Schmidt-getallen van lucht. Het Schmidt-getal Sc = μ / (ρ × D_wv) speelt hier de rol die Pr speelt bij warmteoverdracht, maar dan voor massaoverdracht van waterdamp (D_wv in m²/s). De correlatie voor de cilinder is van Bedingfield & Drew:

Nu × Re^(-1) × Pr^(-0,56) = 0,281 × Re^(-0,4)

wat herschreven kan worden als:

Nu = 0,281 × Re^(0,6) × Pr^(0,56)

Hoge luchtvochtigheid vermindert de verdampingskoeling — het kousje kan minder vocht kwijt aan een al verzadigde lucht. Meer wind versterkt zowel de convectieve als de verdampingskoeling, maar het netto-effect op T_w is kleiner dan op T_g, omdat de verdampingsterm in tegengestelde richting werkt: wind voert warmte aan én versnelt verdamping tegelijk.


Iteratieve oplossing

Beide modellen worden opgelost met relaxatie-iteratie: nieuwe schatting = 0,1 × nieuw + 0,9 × vorig, totdat het verschil kleiner is dan 0,02 °C. De lucht­eigenschappen (ρ, μ, k, Pr) worden telkens opnieuw berekend op de filmtemperatuur — het gemiddelde van de bol- of kousjetemperatuur en de luchttemperatuur — wat de nauwkeurigheid vergroot bij grote temperatuurverschillen.


Het cruciale verschil: directe vs. diffuse straling

De totale horizontale straling Q (W/m²) die het KNMI meet, is de som van directe en diffuse straling. Voor de energiebalans maakt dat verschil: diffuse straling komt van alle kanten tegelijk, directe straling treft de bol of wick vanuit één hoek.

Liljegren splitst Q op met:

fdir = exp(3 - 1,34 × S* - 1,65 / S*)

waarbij S* = Q / Q_max en Q_max = 1367 × cos(θ) / d² de maximaal mogelijke straling is bij die zonnestand. θ is de zonzenithoek, d de aarde-zon afstand in astronomische eenheden.

Voor die opsplitsing zijn dus datum, tijd en locatie nodig — ook al heb je de totale straling al. Zonder θ weet je niet hoeveel van de gemeten straling direct is, en zonder dat weet je niet hoe de bol of wick die opneemt.

De KNMI-uurdata bevatten datum en tijd. De stationscoördinaten zijn bekend (De Bilt: 52,10°N, 5,18°O). Daarmee is θ te berekenen via de declinatie en uurhoek van de zon.


Wat de verbetering oplevert

Bij een representatieve zomermiddag in De Bilt (30°C, 50% RH, 2 m/s, 750 W/m²):

ComponentOudNieuwBijdrage aan WBGT
Tnw22,8°C26,5°C+2,6°C (70%-gewicht)
Tg~36°C~38°C+0,4°C (20%-gewicht)
WBGT25,7°C28,6°C+2,9°C

De verbetering zit vrijwel geheel in Tnw — logisch, want dat is de zwaarste term en Stull negeert zon en wind volledig op die component.

Bij de hittegolf van 25 juli 2019 (40,7°C, 25% RH, 3 m/s, 850 W/m²) geeft de nieuwe methode 32,7°C in plaats van 30,7°C — een verschil van twee volle graden, net de grens tussen “Zeer hoog” en “Gevaarlijk”.

‘s Nachts (Q = 0) komen beide methoden op hetzelfde uit. Dat klopt: zonder zon vervalt het verschil.


Bijlage C — Bewolkingscorrectie op zonnestraling: Kasten & Czeplak (1980)

De berekende clear-sky GHI geeft de maximale zonnestraling bij een wolkenloze hemel. Wie werkt met gemeten uurdata van KNMI (kolom Q: globale straling in J/cm²/uur) heeft deze correctie niet nodig — bewolking is al verdisconteerd in de meting zelf. De formule is uitsluitend van toepassing als de theoretische clear-sky GHI als startpunt wordt gebruikt en men de werkelijke straling wil schatten op basis van de bewolkingsgraad.

Kasten & Czeplak publiceerden in 1980 een empirische formule die die reductie beschrijft, uitgedrukt in okta (achtsten van de hemel):

CMF = 1 − 0,75 · (N/8)³·⁴

Hierin is N de bewolkingsgraad in okta (0 = onbewolkt, 8 = geheel bedekt) en CMF de cloud modification factor — de verhouding tussen de werkelijke en de clear-sky straling. De exponent 3,4 maakt de relatie niet-lineair: bij lichte bewolking (1–3 okta) daalt de straling slechts beperkt, maar bij dichte bewolking (6–8 okta) neemt de reductie snel toe. Bij 4 okta (half bewolkt) geeft de formule CMF ≈ 0,65, wat betekent dat de globale straling ruwweg een derde lager is dan bij een heldere hemel. Bij 8 okta volgt CMF ≈ 0,25 — diffuus hemelslicht levert dan nog altijd zo’n kwart van de clear-sky waarde.

De formule is afgeleid uit langjarige metingen op meerdere Europese stations en wordt ook door KNMI gebruikt als referentiemodel voor uurgemiddelde globale straling. Ze is bedoeld voor gemiddeld gebruik over korte tijdsintervallen. Momentopnames bij wisselende bewolking kunnen sterk afwijken, en bepaalde wolkentypen (cumulonimbus, optische verdikkingseffecten aan de rand van wolken) kunnen lokaal tijdelijk hogere waarden geven dan de formule voorspelt.

Bron: Kasten, F. & Czeplak, G. (1980). Solar and terrestrial radiation dependent on the amount and type of cloud. Solar Energy, 24(2), 177–189.


Bijlage D — Waarom temperatuur én luchtvochtigheid niet genoeg zijn

Temperatuur en relatieve luchtvochtigheid zijn de twee parameters die je in vrijwel elke weerapp ziet. Ze geven een eerste indruk van de omstandigheden — maar ze vertellen niet het hele verhaal over wat je lichaam ervaart.


Het lichaam als warmtemachine

Het menselijk lichaam produceert voortdurend warmte: in rust zo’n 80 watt, bij intensieve inspanning 600–800 watt. Al die warmte moet worden afgevoerd. Daarvoor heeft het lichaam vier mechanismen:

MechanismeWerkingAandeel in rustAandeel bij inspanning
StralingInfraroodemissie naar koelere omgeving~45%~5%
ConvectieWarmteoverdracht aan lucht langs de huid~30%~15%
GeleidingDirect contact met koelere oppervlakken~5%~2%
VerdampingZweet dat verdampt van de huid~20%~78%
Source: Ioannou (2022)

Bij inspanning neemt de warmteproductie met een factor 8 toe. Straling en convectie kunnen dat niet bijhouden. Het lichaam is vrijwel volledig afhankelijk van verdamping van zweet — en dat is precies de term die luchtvochtigheid kortsluit.


Dampdrukdeficit: het mechanisme

Zweet verdampt alleen als de lucht er ruimte voor heeft. Die ruimte wordt bepaald door het dampdrukdeficit: het verschil tussen de maximale dampdruk bij de huidtemperatuur (~37°C) en de werkelijke dampdruk van de omgevingslucht.

Dampdrukdeficit = e_sat(37°C) − (RH/100) · e_sat(T_lucht)

Bij 29°C en 30% RH is het deficit groot: zweet verdampt snel, de huid koelt goed af.
Bij 29°C en 90% RH is het deficit klein: zweet blijft op de huid, de afkoeling stokt.

Hoge luchtvochtigheid → klein deficit → minder verdamping → warmteopstapeling in het lichaam. Dit is waarom twee dagen met dezelfde thermometerstand zo anders kunnen aanvoelen — en waarom luchtvochtigheid niet los van temperatuur te beoordelen is.


Wat temperatuur en luchtvochtigheid samen nog niet vertellen

Zelfs als je temperatuur én luchtvochtigheid kent, ontbreken twee cruciale factoren.

Wind versnelt zowel convectie als verdamping. Een briesje van 3 m/s kan bij 35°C en 60% RH de fysiologische warmtebelasting met het equivalent van ~2°C WBGT verlagen. Wind voert warmte af van de huid én versnelt de verdamping van zweet — beide mechanismen werken tegelijk. Bij windstil weer valt die afkoeling weg, ook als de thermometer hetzelfde aangeeft.

Zonnestraling verwarmt het lichaam direct, los van de luchttemperatuur. De globe-thermometer — een zwarte bol van 50 mm die stralingswarmte opvangt — kan bij windstil, onbewolkt weer 8–12°C boven de luchttemperatuur uitkomen. Iemand die buiten in de zon staat, absorbeert een significant deel van die straling via huid en kleding. Op een bewolkte dag met dezelfde temperatuur en luchtvochtigheid is de belasting meetbaar lager — zonder dat de thermometer of de luchtvochtigheid ook maar iets verandert.

Inspanningsniveau bepaalt hoeveel warmte het lichaam zelf produceert. In rust is dat ~80 watt; bij intensieve inspanning 600–800 watt. Bij hoge inspanning is het lichaam vrijwel volledig afhankelijk van verdamping, en wordt het dampdrukdeficit de beperkende factor. Wat voor iemand op een terras comfortabel aanvoelt, kan voor een hardloper of dakdekker in exact dezelfde buitenomstandigheden al hittestress opleveren.


Waarom WBGT beter aansluit op de fysiologische belasting

De WBGT — Wet Bulb Globe Temperature — combineert alle vier relevante grootheden in één index:

WBGT = 0,7 × Tnw + 0,2 × Tg + 0,1 × Td
  • Tnw (natte boltemperatuur, 70%): meet hoe goed verdamping werkt. Wordt bepaald door temperatuur, luchtvochtigheid én wind. Dit is de zwaarste term — terecht, want verdamping is bij inspanning de dominante afvoerroute.
  • Tg (globe-temperatuur, 20%): vangt de stralingswarmte van zon en omgeving op. Reageert op directe en diffuse zonnestraling, windsnelheid en luchttemperatuur.
  • Td (luchttemperatuur, 10%): de gewone thermometerstand, als achtergrondterm.

De gewichten weerspiegelen precies de aandelen uit de tabel hierboven: verdamping het zwaarst, straling als tweede, luchttemperatuur als minste. Een index die alleen temperatuur en luchtvochtigheid combineert, mist de 20% die straling bijdraagt én de correctie op verdamping die wind geeft.

Dat maakt WBGT geen gevoelstemperatuur maar een belastingsmaat. Bij droge hitte met wind is de WBGT lager dan de thermometer aangeeft — het lichaam kan goed afkoelen. Bij vochtige hitte zonder wind en in de zon kan de WBGT de luchttemperatuur benaderen of overschrijden, ook al staat de thermometer op een ogenschijnlijk draaglijk getal.


Bronnen: Parsons (2006), ISO 7243; Liljegren et al. (2008); Havenith & Fiala (2016), Thermal indices and thermophysiological modeling for heat stress.