Hitte meet je niet met een thermometer
Hoewel de thermometer in alle gevallen 29 graden aangeeft, voelt de hitte tijdens het hardlopen in Da Nang anders dan gedurende acroyoga in Chiang Mai — en weer anders dan als je een biertje op een Amsterdams terras drinkt.
Het KNMI maakte onlangs bekend dat ze vanaf zomer 2026 een nieuwe index in hun app opnemen: hittekracht. Een schaal van 0 tot 10, vergelijkbaar met zonkracht en windkracht, die temperatuur, luchtvochtigheid, zonnestraling en wind combineert. De gedachte erachter is simpel: 30 graden droog met een briesje voelt heel anders dan 25 graden windstil en klam. Toch beoordeelt bijna iedereen hitte nog steeds op temperatuur alleen. De hittekracht is gebaseerd op de Wet Bulb Globe Temperature (WBGT) — een index die het leger, de bouw en sportevenementen al decennialang gebruiken. Ik dacht: die data staat gewoon in de KNMI-uurbestanden. Dus ik bouwde de berekening zelf. Bekjk het zelf online op https://wbgt-rcsmit.streamlit.app (“wake up” indien nodig). Wat zit er achter WBGT? De WBGT wordt samengesteld vanuit waarden van drie thermometers, elk met een ander verhaal: Tg — de globe-temperatuur. Een zwarte bol die stralingswarmte van zon en omgeving opvangt. In volle zon, windstil, loopt Tg makkelijk 8–12 graden boven de luchttemperatuur uit. Reageert op directe en diffuse zonnestraling, windsnelheid en luchttemperatuur. Td — gewoon de luchttemperatuur. Goed voor 10%. Deze drie waarden vormen samen de WBGT WBGT = 0,7 × Tnw + 0,2 × Tg + 0,1 × Td Het resultaat: bij droge hitte is WBGT lager dan de thermometer aangeeft, want zweet werkt goed. Bij vochtige hitte nadert WBGT de luchttemperatuur — of overschrijdt die zelfs. Dat is precies de informatie die een weerapp je niet geeft. Om niet afhankelijk te zijn van een specifiek meetapparaat zijn er formules ontwikkeld om de WBGT te berekenen vanuit de temperatuur, luchtvochtigheid, windsnelheid en globale straling. Vier waardes die het KNMI uurlijks meet, vastlegt en beschkbaar stelt. Dit heb ik omgebouwd tot een app. De code haalt uurgegevens op van het KNMI-station naar keuze: temperatuur, luchtvochtigheid, windsnelheid en globale straling. Per uur berekent hij de WBGT. Daarna neem ik per dag de maximale waarde tussen 12:00 en 17:00 — het venster waarop de meeste buitenactiviteiten plaatsvinden en de hitte het zwaarst is. Er worden vier methoden naast elkaar berekend. De eerste drie zijn WBGT-varianten. De feels-like is een aparte index: bij warmte gebruikt hij de Heat Index (temperatuur + luchtvochtigheid), bij kou de Wind Chill (temperatuur + wind). Geen fysiologische belastingsmaat, maar subjectief thermisch comfort — handig als referentie naast de WBGT-lijnen. De globe-temperatuur en natte bol temperatuur bereken ik via Liljegren et al. (2008), met de gemeten zonnestraling, temperatuur, luchtvochtigheid en windsnelheid als invoer. De formules staan als bijlage aan het einde van dit artikel. In eerste instantie heb ik formules gebruikt die praktische en veelgebruikte benaderingen van de onderliggende fysica, (bijlage A). Deze zijn bedoeld voor toepasbare berekeningen op basis van weerdata, niet als volledige numerieke simulatie van alle warmteprocessen rond mens of meetinstrument. . Later heb ik de uitgebreide versie geimplementeerd (bijlage B) Er zijn een paar dingen die me opvielen bij het doorlopen van de data voor De Bilt, begin 2026 en die je kunt zien als je een scatterplot maakt. WBGT blijft in Nederland bijna altijd onder de luchttemperatuur. Pas boven de 25 graden met hoge luchtvochtigheid komen de lijnen bij elkaar. Dat is een fundamenteel ander profiel dan de tropen, waar WBGT regelmatig boven de 32 graden uitkomt — de drempel waarbij inspanning gevaarlijk wordt. Bernard geeft stelselmatig hogere waarden dan Liljegren. Logisch: Bernard gebruikt geen windsnelheid of zonnestraling, alleen temperatuur en luchtvochtigheid. Dat geeft een conservatievere schatting — handig als worst-case, maar niet nauwkeurig genoeg als je echt wilt weten wat de zon doet. De feels-like temperatuur duikt bij kou flink onder nul. Dat klopt — wind chill werkt nu eenmaal zo. Maar WBGT is niet ontworpen voor koude omstandigheden. Onder pakweg 15 graden verliest de index zijn betekenis als hittestress-maat. WBGT_buiten is de standaard omdat het het enige model is dat alle drie de warmteoverdrachtsprocessen meeneemt die ook op het menselijk lichaam werken: verdamping, straling én convectie. Dat is ook waarom het leger, OSHA en ISO 7243 het gebruiken — niet als benadering, maar als de meest volledige fysische beschrijving van thermische belasting. De vijf zones zijn een vereenvoudigde richtlijn voor algemeen gebruik. De officiële ISO 7243-norm werkt niet met vaste kleurzones maar koppelt de grenswaarden aan het inspanningsniveau. Bij zwaar werk ligt de veilige grens al bij 25 graden, bij rust pas bij 33 graden. De vijf zones hierboven zijn een vereenvoudiging die veel gebruikt wordt in sport en publieke communicatie. In De Bilt bereikten we in de zomer van 2025 regelmatig de zone “Matig”, met uitschieters naar “Hoog”. Dat klinkt mild — totdat je bedenkt dat een hardloper, een dakdekker of een festivalbezoeker in diezelfde omstandigheden al significant meer belast wordt dan iemand in rust. Het KNMI noemt dat ook: hulpdiensten in zware kleding, buitensporters, ouderen. Voor die groepen is het handig om een index te hebben die eenvoudig hittestress weergeeft. Ondertussen heb ik het rapport gevonden waar de hitte kracht wordt uitgewerkt. Omdat de WBGT in graden Celsius wordt uitgedrukt, maar vaak lager is dan de luchttemperatuur, kan deze voor gebruikers verwarrend en minder intuïtief zijn. Daarom is er een nieuwe index ontwikkeld die Hittekracht wordt genoemd Hieronder wordt de vertaalslag van WBGT naar de hittekracht weergegeven We willen zo makkelijk mogelijk de hittekracht weten. Hiertoe kan je een referentie tabel gebruiken met de temperaturen als kolommen en de relatieve luchtvochtigheid als rijen. In eerste instantie had ik een referentie tabel gemaakt met een windstille dag en de hoogst gemeten globale straling in 2026. Om meer realistische waarden te verkrijgen heb ik de de KNMI-uurdata van 1991 tot en met juli 2025 gebruikt als basis. Voor elke combinatie van temperatuur en luchtvochtigheid (waardes die in de meeste weerapps te zien zijn) zijn alle gemeten uren opgezocht en is de gemiddelde WBGT-buiten berekend. Voor de temperatuur is de binwijdte +/- 1 graad. Voor de luchtvochtigheid is de binwijdte +/- 2,5%. Het resultaat is een tabel die laat zien wat je in Nederland bij een bepaalde temperatuur en luchtvochtigheid gemiddeld kunt verwachten — zonder dat je wind of straling hoeft in te voeren. De standaarddeviatie ligt doorgaans rond de 1,0 à 1,4 graden. Ook is het verschil tussen gemiddelde en mediaan bekeken. (niet weergegeven hieronder). Deze is klein (enkele tienden van een graad). In een enkel geval is de hittekracht een klasse hoger dan als je uit zou gaan van het gemiddelde. In Bijlage E is beschreven in hoeverre de genoemde hitte krachtniveau’s voor de verschillende combinaties valide zijn. Nader onderzoek kan eventueel ook uitwijzen of er een regelmaat in de spreiding van de WBGT’s en de Hitte Kracht-en zit door deze voor alle combinaties te analyseren zoals hieronder is gedaan voor de temperatuur van 22 graden en een relative vochtigheid van 50%. Uiteindelijk gaat het om een simpel idee: de thermometer vertelt je hoe warm de lucht is. Niet hoe de temperatuur ervaart. Dat verschil is klein op een frisse dag met een briesje, maar kan groot worden op een klamme middag zonder wind in volle zon. Het KNMI maakt dat verschil vanaf zomer 2026 zichtbaar voor het grote publiek met hittekracht. Tot die tijd kun je het al zelf berekenen of opzoeken — en beslissen of en waar je gaat hardlopen, plezier hebt met acroyoga, of toch gewoon kiest voor dat biertje op het terras. De tool staat op https://wbgt-rcsmit.streamlit.app (‘wake up’ indien nodig) en heeft verschillende tabbladen Code: https://github.com/rcsmit/streamlit_scripts/tree/main/wbgt Bernard, T. E., & Pourmoghani, M. (1999). Prediction of workplace wet bulb global temperature. Applied Occupational and Environmental Hygiene, 14(2), 126–134. https://doi.org/10.1080/104732299303296 Ioannou, L. G.,et al. (2022). Occupational heat strain in outdoor workers: A comprehensive review and meta-analysis. Temperature (Austin, Tex.), 9(1), 67–102. https://doi.org/10.1080/23328940.2022.2030634 Kingma B. (TNO) (2024) Hittekracht en hittefit (presentatie) [link] Kong, Qinqin, and Matthew Huber. “Explicit Calculations of Wet Bulb Globe Temperature Compared with Approximations and Why It Matters for Labor Productivity.” Earth’s Future, January 31, 2022. https://doi.org/10.1029/2021EF002334. Qinkong. (2022). Explicit Calculations of Wet Bulb Globe Temperature Compared with Approximations and Why It Matters for Labor Productivity (v1.0.0). Zenodo. https://doi.org/10.5281/zenodo.5980536 KNMI. (z.d.). Hittekracht. Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut. https://www.knmi.nl/kennis-en-datacentrum/uitleg/hittekracht Liljegren, J. C., Carhart, R. A., Lawday, P., Tschopp, S., & Sharp, R. (2008). Modeling the wet bulb globe temperature using standard meteorological measurements. Journal of Occupational and Environmental Hygiene, 5(10), 645–655. https://doi.org/10.1080/15459620802310770 Parsons, K. (2006). Heat stress standard ISO 7243 and its global application. Industrial Health, 44(4), 368–379. [link] Pereira Marghidan, C., Mokkenstorm, L., (2026) Hittewaarschuwingen: Doorontwikkeling Nationaal Hitteplan RIVM en verdere integratie met waarschuwingssystematiek, KNMI De Bilt,| Wetenschappelijk rapport; WR-26-02 [link] Pereira Marghidan C. et al. (2026) Van Wet Bulb Globe Temperature (WBGT) naar hittekracht Rothfusz, L. P. (1990). The heat index equation (or, more than you ever wanted to know about heat index) (NWS Technical Attachment SR/SSD 90-23). National Weather Service Southern Region Headquarters. [link] Stull, R. (2011). Wet-bulb temperature from relative humidity and air temperature. Journal of Applied Meteorology and Climatology, 50(11), 2267–2269 https://doi.org/10.1175/JAMC-D-11-0143.1 TNO (2024). Hittekracht en hittefit: zo kan Nederland de toenemende hitte aan [link] Yi-Chun Lin et al. (2025), Investigating wet-bulb globe temperature on heat-related illness in general population for alerting heat exposure: A time-stratified case-crossover study, Urban Climate, 59 https://doi.org/10.1016/j.uclim.2025.102322. Hier zijn de exacte formules zoals ze in de literatuur staan en in het script zijn gebruikt: Journal of Applied Meteorology and Climatology, 50(11) Geldig voor: T = −20 tot 50°C, RH = 5–99%, gemiddelde fout ±0.65°C. Applied Occupational and Environmental Hygiene, 14(9) waarbij dampdruk e (hPa) via Magnus: Geen wind of straling nodig — alleen T en RH. Journal of Occupational and Environmental Hygiene, 5(10) Zie bijlage B voor een verbeterde versie De volledige Liljegren-formule gebruikt een numeriek model van warmtestraling en convectie voor een zwarte bol van 50mm. De vereenvoudigde versie die ik in eerste instantie heb gebruikt: waarbij: Dit is een vereenvoudiging — de echte Liljegren lost numeriek de warmtebalans op met absorptiecoëfficiënten en convectietermen. NWS Technical Attachment SR/SSD 90-23 Geldig boven ~27°C (80°F), RH > 40%: T en HI in °F. Daarna terug naar °C. Twee correcties voor extreme waarden: Joint Action Group for Temperature Indices, NWS/MSC Geldig onder 10°C, wind > 4.8 km/u: waarbij v = windsnelheid in km/u, T in °C. Samenvatting geldigheidsgebieden: Na publicatie van dit artikel heb ik de berekening verder verbeterd. De originele versie (Bijlage A) gebruikt twee vereenvoudigde benaderingen. Deze bijlage beschrijft wat er mis is met die benaderingen, en hoe de verbeterde versie werkt. De WBGT-formule In de eerste versie deed ik dat met twee shortcuts: Voor Tnw gebruikte ik de formule van Stull (2011): alleen temperatuur en luchtvochtigheid als invoer. Dat is een psychrometrische benadering — hij berekent hoe een natte thermometer afkoelt puur door verdamping, zonder rekening te houden met zon of wind. Bij een anemometer-thermometer in een afgeschermd kastje is dat prima. Bij een nat kousje dat buiten in de zon hangt, mist die formule precies wat het instrument meet. Voor Tg gebruikte ik een empirische vuistregel: Die formule werkt redelijk voor daggemiddelden, maar weet niet welke kant de zon op staat. Het effect: mijn WBGT lag structureel ~1–3°C te laag op zonnige middagen, en klopte alleen ‘s nachts — want dan is er geen zon en vallen beide methoden samen. Het paper beschrijft twee iteratieve energiebalans-modellen. Geen vuistregels, maar fysica. De globe-temperatuur Een zwarte bol van 50 mm in de buitenlucht neemt energie op uit drie bronnen en verliest energie via twee wegen: Opname: Verlies: De energiebalans levert een impliciete vergelijking op in T_g, die iteratief wordt opgelost. De convectieve term volgt uit de Nusselt-correlatie voor een bol in dwarsstroming: Hierin zijn: De keten is daarmee: wind (v) → Re → Nu → h → warmteafvoer van de bol. Hogere windsnelheid verlaagt T_g en daarmee de WBGT. De natte-boltemperatuur Hetzelfde principe, maar nu voor een natte cilinder (het kousje). Hier speelt ook verdamping mee. De energiebalans combineert: De verhouding tussen convectieve warmte- en massaoverdracht volgt uit de Chilton-Colburn analogie, via de Prandtl- en Schmidt-getallen van lucht. Het Schmidt-getal wat herschreven kan worden als: Hoge luchtvochtigheid vermindert de verdampingskoeling — het kousje kan minder vocht kwijt aan een al verzadigde lucht. Meer wind versterkt zowel de convectieve als de verdampingskoeling, maar het netto-effect op T_w is kleiner dan op T_g, omdat de verdampingsterm in tegengestelde richting werkt: wind voert warmte aan én versnelt verdamping tegelijk. Iteratieve oplossing Beide modellen worden opgelost met relaxatie-iteratie: nieuwe schatting = 0,1 × nieuw + 0,9 × vorig, totdat het verschil kleiner is dan 0,02 °C. De luchteigenschappen (ρ, μ, k, Pr) worden telkens opnieuw berekend op de filmtemperatuur — het gemiddelde van de bol- of kousjetemperatuur en de luchttemperatuur — wat de nauwkeurigheid vergroot bij grote temperatuurverschillen. De totale horizontale straling Q (W/m²) die het KNMI meet, is de som van directe en diffuse straling. Voor de energiebalans maakt dat verschil: diffuse straling komt van alle kanten tegelijk, directe straling treft de bol of wick vanuit één hoek. Liljegren splitst Q op met: waarbij Voor die opsplitsing zijn dus datum, tijd en locatie nodig — ook al heb je de totale straling al. Zonder θ weet je niet hoeveel van de gemeten straling direct is, en zonder dat weet je niet hoe de bol of wick die opneemt. De KNMI-uurdata bevatten datum en tijd. De stationscoördinaten zijn bekend (De Bilt: 52,10°N, 5,18°O). Daarmee is θ te berekenen via de declinatie en uurhoek van de zon. Bij een representatieve zomermiddag in De Bilt (30°C, 50% RH, 2 m/s, 750 W/m²): De verbetering zit vrijwel geheel in Tnw — logisch, want dat is de zwaarste term en Stull negeert zon en wind volledig op die component. Bij de hittegolf van 25 juli 2019 (40,7°C, 25% RH, 3 m/s, 850 W/m²) geeft de nieuwe methode 32,7°C in plaats van 30,7°C — een verschil van twee volle graden, net de grens tussen “Zeer hoog” en “Gevaarlijk”. ‘s Nachts (Q = 0) komen beide methoden op hetzelfde uit. Dat klopt: zonder zon vervalt het verschil. De berekende clear-sky GHI geeft de maximale zonnestraling bij een wolkenloze hemel. Wie werkt met gemeten uurdata van KNMI (kolom Q: globale straling in J/cm²/uur) heeft deze correctie niet nodig — bewolking is al verdisconteerd in de meting zelf. De formule is uitsluitend van toepassing als de theoretische clear-sky GHI als startpunt wordt gebruikt en men de werkelijke straling wil schatten op basis van de bewolkingsgraad. Kasten & Czeplak publiceerden in 1980 een empirische formule die die reductie beschrijft, uitgedrukt in okta (achtsten van de hemel): CMF = 1 − 0,75 · (N/8)³·⁴ Hierin is N de bewolkingsgraad in okta (0 = onbewolkt, 8 = geheel bedekt) en CMF de cloud modification factor — de verhouding tussen de werkelijke en de clear-sky straling. De exponent 3,4 maakt de relatie niet-lineair: bij lichte bewolking (1–3 okta) daalt de straling slechts beperkt, maar bij dichte bewolking (6–8 okta) neemt de reductie snel toe. Bij 4 okta (half bewolkt) geeft de formule CMF ≈ 0,65, wat betekent dat de globale straling ruwweg een derde lager is dan bij een heldere hemel. Bij 8 okta volgt CMF ≈ 0,25 — diffuus hemelslicht levert dan nog altijd zo’n kwart van de clear-sky waarde. De formule is afgeleid uit langjarige metingen op meerdere Europese stations en wordt ook door KNMI gebruikt als referentiemodel voor uurgemiddelde globale straling. Ze is bedoeld voor gemiddeld gebruik over korte tijdsintervallen. Momentopnames bij wisselende bewolking kunnen sterk afwijken, en bepaalde wolkentypen (cumulonimbus, optische verdikkingseffecten aan de rand van wolken) kunnen lokaal tijdelijk hogere waarden geven dan de formule voorspelt. Bron: Kasten, F. & Czeplak, G. (1980). Solar and terrestrial radiation dependent on the amount and type of cloud. Solar Energy, 24(2), 177–189. Temperatuur en relatieve luchtvochtigheid zijn de twee parameters die je in vrijwel elke weerapp ziet. Ze geven een eerste indruk van de omstandigheden — maar ze vertellen niet het hele verhaal over wat je lichaam ervaart. Het menselijk lichaam produceert voortdurend warmte: in rust zo’n 80 watt, bij intensieve inspanning 600–800 watt. Al die warmte moet worden afgevoerd. Daarvoor heeft het lichaam vier mechanismen: Bij inspanning neemt de warmteproductie met een factor 8 toe. Straling en convectie kunnen dat niet bijhouden. Het lichaam is vrijwel volledig afhankelijk van verdamping van zweet — en dat is precies de term die luchtvochtigheid kortsluit. Zweet verdampt alleen als de lucht er ruimte voor heeft. Die ruimte wordt bepaald door het dampdrukdeficit: het verschil tussen de maximale dampdruk bij de huidtemperatuur (~37°C) en de werkelijke dampdruk van de omgevingslucht. Bij 29°C en 30% RH is het deficit groot: zweet verdampt snel, de huid koelt goed af. Hoge luchtvochtigheid → klein deficit → minder verdamping → warmteopstapeling in het lichaam. Dit is waarom twee dagen met dezelfde thermometerstand zo anders kunnen aanvoelen — en waarom luchtvochtigheid niet los van temperatuur te beoordelen is. Zelfs als je temperatuur én luchtvochtigheid kent, ontbreken twee cruciale factoren. Wind versnelt zowel convectie als verdamping. Een briesje van 3 m/s kan bij 35°C en 60% RH de fysiologische warmtebelasting met het equivalent van ~2°C WBGT verlagen. Wind voert warmte af van de huid én versnelt de verdamping van zweet — beide mechanismen werken tegelijk. Bij windstil weer valt die afkoeling weg, ook als de thermometer hetzelfde aangeeft. Zonnestraling verwarmt het lichaam direct, los van de luchttemperatuur. De globe-thermometer — een zwarte bol van 50 mm die stralingswarmte opvangt — kan bij windstil, onbewolkt weer 8–12°C boven de luchttemperatuur uitkomen. Iemand die buiten in de zon staat, absorbeert een significant deel van die straling via huid en kleding. Op een bewolkte dag met dezelfde temperatuur en luchtvochtigheid is de belasting meetbaar lager — zonder dat de thermometer of de luchtvochtigheid ook maar iets verandert. Inspanningsniveau bepaalt hoeveel warmte het lichaam zelf produceert. In rust is dat ~80 watt; bij intensieve inspanning 600–800 watt. Bij hoge inspanning is het lichaam vrijwel volledig afhankelijk van verdamping, en wordt het dampdrukdeficit de beperkende factor. Wat voor iemand op een terras comfortabel aanvoelt, kan voor een hardloper of dakdekker in exact dezelfde buitenomstandigheden al hittestress opleveren. De WBGT — Wet Bulb Globe Temperature — combineert alle vier relevante grootheden in één index: De gewichten weerspiegelen precies de aandelen uit de tabel hierboven: verdamping het zwaarst, straling als tweede, luchttemperatuur als minste. Een index die alleen temperatuur en luchtvochtigheid combineert, mist de 20% die straling bijdraagt én de correctie op verdamping die wind geeft. Dat maakt WBGT geen gevoelstemperatuur maar een belastingsmaat. Bij droge hitte met wind is de WBGT lager dan de thermometer aangeeft — het lichaam kan goed afkoelen. Bij vochtige hitte zonder wind en in de zon kan de WBGT de luchttemperatuur benaderen of overschrijden, ook al staat de thermometer op een ogenschijnlijk draaglijk getal. Bronnen: Parsons (2006), ISO 7243; Liljegren et al. (2008); Havenith & Fiala (2016), Thermal indices and thermophysiological modeling for heat stress. De referentietabel is gebouwd op KNMI-uurdata van 1991 tot en met 2025. Voor elke combinatie van temperatuur (16–34 °C, stappen van 2 °C) en relatieve luchtvochtigheid (20–100%, stappen van 5%) worden alle meetmomenten binnen een venster van ±1 °C en ±2,5% RH geselecteerd. Van die selectie wordt de gemiddelde WBGT-buiten berekend en omgezet naar de KNMI Hittekracht-index via de formule Het resultaat is een opzoektabel: gegeven de actuele temperatuur en luchtvochtigheid — twee grootheden die iedereen makkelijk kan meten of opzoeken — geeft de tabel een verwachte Hittekracht zonder dat straling of windsnelheid bekend hoeven te zijn. De aantallen per cel lopen sterk uiteen (zie heatmap Aantal van een bepaalde Temp en RH combinatie). Veel voorkomende combinaties — lage temperatuur, hoge luchtvochtigheid, typisch Nederlands weer — hebben duizenden meetmomenten. De cel 16 °C / 95% RH bevat 4316 waarnemingen; 16 °C / 80% RH zelfs 3018. Aan de warme, droge kant van de tabel slinken de aantallen snel: cellen boven 28 °C met RH lager dan 40% bevatten soms maar een handvol meetpunten. Die dunne cellen zijn statistisch minder betrouwbaar en moeten met voorzichtigheid worden gebruikt. De standaarddeviatie van de WBGT-waarden per cel (zie bijbehorende heatmap) ligt over het merendeel van de tabel rond 1,0–1,4 °C. Dat is consistent met een Hittekracht-onzekerheid van ruwweg ±0,5–0,7 klassen. Cellen met SD boven 1,4 zijn schaars en bevinden zich vooral in de overgangszone rond 16–18 °C / 40–50% RH — condities waarbij bewolking, windvariatie en lokale opwarming relatief grote invloed hebben op de stralingsbijdrage aan WBGT. Drie heatmaps geven inzicht in hoe goed de gemiddelde tabelwaarde de werkelijke Hittekracht voorspelt. % is de waarde — hoe vaak de werkelijke HK exact overeenkomt met de tabelwaarde. Over het grootste deel van de tabel ligt dit tussen de 50% en 80%. Dat klinkt laag, maar de Hittekracht is een geheel getal en de kansverdeling is over meerdere klassen gespreid; een trefkans van 60–70% op exact de juiste klasse is in die context behoorlijk. % exact, plus of min een — hoe vaak de werkelijke HK binnen één klasse van de tabelwaarde valt. Dit percentage is vrijwel overal 95% of hoger, in grote delen van de tabel zelfs 98–100%. Dat is het kernresultaat: de tabel geeft in negen van de tien gevallen de juiste Hittekracht of één klasse ernaast. % outliers — hoe vaak de werkelijke HK meer dan één klasse afwijkt. Die percentages zijn klein: het merendeel van de gevulde cellen toont waarden onder 5%, met incidentele uitschieters tot 8–11% bij een paar specifieke combinaties (18 °C / 45% RH en 20 °C / 30% RH – bij beide is de afwijking naar beneden.). Die uitschieters vallen samen met cellen waar de standaarddeviatie van de WBGT-meting relatief hoog is (±1,3–1,5 °C), wat wijst op meer variabiliteit in de zonnestraling of wind bij die condities. De historische referentietabel is bruikbaar als snelle indicatie van de te verwachten Hittekracht op basis van temperatuur en luchtvochtigheid alleen. In de meeste condities die in Nederland relevant zijn (T = 18–28 °C, RH = 40–80%) geeft de tabel een voorspelling die in 95–99% van de historische gevallen binnen één klasse van de werkelijke waarde lag. Exacte overeenkomst treedt op in 50–75% van de gevallen. De tabel vervangt geen berekening met straling en wind, maar dat is ook niet de bedoeling. Ze is nuttig wanneer die gegevens niet beschikbaar zijn — bijvoorbeeld bij een snelle inschatting op basis van het weerbericht. Gebruikers moeten er rekening mee houden dat de onzekerheid richting de uitersten van het temperatuurbereik (boven 30 °C of onder 18 °C) groter is, zowel door de kleinere steekproefomvang als door de grotere variatie in stralingscondities bij die temperaturen.
Tevens heb ik een snelle calculator gemaakt op https://rcsmit.github.io/hittekracht
Inhoudsopgave
Hoe de tool werkt
Wat valt op in de data?
De standard
De risicozones
De Hitte Kracht
Referentie table
Oftewel : Niet hoe warm het is, maar hoe je de temperatuur ervaart
Zelf gebruiken
Bronnen en meer informatie
Bijlage A: De formules
Bijlage B — De verbeterde methode: volledige Liljegren-solver
Bijlage C — Bewolkingscorrectie op zonnestraling: Kasten & Czeplak (1980)
Bijlage D — Waarom temperatuur én luchtvochtigheid niet genoeg zijn
Bijlage E — Bruikbaarheid van de historische referentietabel
Wat zit er achter WBGT?

Tnw — de natte bol temperatuur. Een thermometer met een nat kousje, blootgesteld aan de wind. Die meet hoe goed je lichaam kan afkoelen via zweet. Bij hoge luchtvochtigheid verdampt zweet slecht, en Tnw kruipt richting de luchttemperatuur. Bij droge hitte daalt hij ver eronder Wordt bepaald door temperatuur, luchtvochtigheid én wind. . Dit is met 70% verreweg de zwaarste term — terecht, want zweten is de belangrijkste manier waarop een mens hitte kwijtraakt.
Hoe de tool werkt
Methode Formule Wanneer zinvol Liljegren / ISO 7243 0,7·Tnw + 0,2·Tg + 0,1·Td Buiten in de zon ISO 7243 schaduw 0,7·Tnw + 0,3·Tg In de schaduw of binnen Bernard 1999 Dampdrukformule Snelle check zonder stralingsdata Feels-like Heat Index boven 27°C, Wind Chill onder 10°C Gevoelstemperatuur voor algemeen publiek 
Wat valt op in de data?

De standaard
De risicozones
Zone WBGT Advies Laag < 18 °C Geen beperkingen Matig 18–23 °C Let op bij zware inspanning Hoog 23–28 °C Regelmatige rustpauzes Zeer hoog 28–32 °C Alleen lichte activiteit Gevaarlijk > 32 °C Vermijd inspanning buitenshuis
De Hitte Kracht
HK
WBGT-range (°C) – indeling
0
<14 – laag
1
14-16 – laag
2
16–18 – laag
3
18–20 – matig
4
20–22 – matig
5
22–24 – matig (<23)/hoog
6
24–26 – Hoog
7
26–28 – Hoog
8
28–30 – Zeer hoog
9
30–32 – Zeer hoog
10
≥ 32 – Gevaarlijk
Referentie tabel


Oftewel : Niet hoe warm het is, maar hoe je de temperatuur ervaart
Zelf gebruiken
(Maakt ook gebruik van verschillende andere bestanden in dezelfde directory)
Bronnen en meer informatie
KNMI number: TR-26-04, [link]
Bijlage A: De formules
Stull (2011) — natte bol temperatuur
Tnw = T · atan(0.151977 · (RH + 8.313659)^0.5)
+ atan(T + RH)
- atan(RH - 1.676331)
+ 0.00391838 · RH^1.5 · atan(0.023101 · RH)
- 4.686035
Bernard & Pourmoghani (1999) — vereenvoudigde WBGT
WBGT ≈ 0.567 · T + 0.393 · e + 3.94e = (RH/100) · 6.1078 · exp(17.27 · T / (T + 237.3))
Liljegren et al. (2008) — globe-temperatuur
Tg = T + 17.5 · (Q / 1000)^0.6 / (1 + 1.1 · v^0.6)
Heat Index — Rothfusz (1990)
HI = -42.379
+ 2.04901523 · T
+ 10.14333127 · RH
- 0.22475541 · T · RH
- 0.00683783 · T²
- 0.05481717 · RH²
+ 0.00122874 · T² · RH
+ 0.00085282 · T · RH²
- 0.00000199 · T² · RH²Als RH < 13% en 26.7°C < T < 44.4°C:
HI = HI - ((13 - RH) / 4) · sqrt((17 - |T - 95|) / 17)
Als RH > 85% en 26.7°C < T < 30.6°C:
HI = HI + ((RH - 85) / 10) · ((87 - T) / 5)
Wind Chill — JAG/TI (2001)
WC = 13.12 + 0.6215 · T - 11.37 · v^0.16 + 0.3965 · T · v^0.16
Formule Geldig bij Let op Stull Tnw −20 tot 50°C, RH 5–99% Niet voor aspirated wet bulb Bernard WBGT Warme omstandigheden Geen straling/wind Liljegren Tg Buitenshuis, zon aanwezig Vereenvoudigd; echte versie iteratief Heat Index T > 27°C, RH > 40% In °F berekenen Wind Chill T < 10°C, v > 4.8 km/u v in km/u Bijlage B — De verbeterde methode: volledige Liljegren-solver
Wat er schortte aan de eerste versie
0,7 × Tnw + 0,2 × Tg + 0,1 × Td is simpel. Maar Tnw en Tg zijn zelf geen meetwaarden — die moeten berekend worden uit de beschikbare KNMI-data.Tg ≈ T + 17,5 × (Q/1000)^0,6 / (1 + 1,1 × v^0,6)
Wat Liljegren (2008) echt doet
Nu = 2,0 + 0,6 × Re^(1/2) × Pr^(1/3)
h = k / D × Nu
Re = ρ × v × D / μ, waarbij ρ de luchtdichtheid (kg/m³) is, v de windsnelheid (m/s), D de boldiameter (0,0508 m) en μ de dynamische viscositeit van lucht (Pa·s). Re geeft aan of de stroming rond de bol laminair of turbulent is — meer wind geeft een hoger Re, een hogere Nu en daarmee een betere afkoeling.Pr = c_p × μ / k, de verhouding tussen impuls- en warmtetransport in lucht. Voor lucht is Pr ≈ 0,71 en vrijwel constant over het relevante temperatuurbereik.
Sc = μ / (ρ × D_wv) speelt hier de rol die Pr speelt bij warmteoverdracht, maar dan voor massaoverdracht van waterdamp (D_wv in m²/s). De correlatie voor de cilinder is van Bedingfield & Drew:Nu × Re^(-1) × Pr^(-0,56) = 0,281 × Re^(-0,4)Nu = 0,281 × Re^(0,6) × Pr^(0,56)
Het cruciale verschil: directe vs. diffuse straling
fdir = exp(3 - 1,34 × S* - 1,65 / S*)S* = Q / Q_max en Q_max = 1367 × cos(θ) / d² de maximaal mogelijke straling is bij die zonnestand. θ is de zonzenithoek, d de aarde-zon afstand in astronomische eenheden.
Wat de verbetering oplevert
Component Oud Nieuw Bijdrage aan WBGT Tnw 22,8°C 26,5°C +2,6°C (70%-gewicht) Tg ~36°C ~38°C +0,4°C (20%-gewicht) WBGT 25,7°C 28,6°C +2,9°C
Bijlage C — Bewolkingscorrectie op zonnestraling: Kasten & Czeplak (1980)
Bijlage D — Waarom temperatuur én luchtvochtigheid niet genoeg zijn
Het lichaam als warmtemachine
Mechanisme Werking Aandeel in rust Aandeel bij inspanning Straling Infraroodemissie naar koelere omgeving ~45% ~5% Convectie Warmteoverdracht aan lucht langs de huid ~30% ~15% Geleiding Direct contact met koelere oppervlakken ~5% ~2% Verdamping Zweet dat verdampt van de huid ~20% ~78% 
Dampdrukdeficit: het mechanisme
Dampdrukdeficit = e_sat(37°C) − (RH/100) · e_sat(T_lucht)
Bij 29°C en 90% RH is het deficit klein: zweet blijft op de huid, de afkoeling stokt.
Wat temperatuur en luchtvochtigheid samen nog niet vertellen
Waarom WBGT beter aansluit op de fysiologische belasting
WBGT = 0,7 × Tnw + 0,2 × Tg + 0,1 × Td
Bijlage E — Bruikbaarheid van de historische referentietabel
Opbouw van de tabel
HK = (WBGT − 13) / 2, afgekapt op [0, 10].
Aantal waarnemingen per cel

Standaarddeviatie

Nauwkeurigheid: exact, ±1 en uitschieters




Conclusie
